|
In 1931 introduceert Disney als eerste kleuren
in zijn korte tekenfilm Flowers and trees, een film waarvoor hij een Academy
Award krijgt. Sindsdien is er op het gebied van de toepassing van kleuren
veel veranderd. Voor Pinocchio wordt er door de chemici in de laboratoria
van de Disney-studio's maandenlang gezocht naar nieuwe kleurschakeringen.
Er moet constant rekening gehouden worden met het feit dat een karakter in
de film, qua kleur, in alle scènes waar hij in voorkomt, harmonieert.
Het resultaat is dat in Pinocchio vijftienhonderd verschillende kleuren en
schakeringen zijn gebruikt. Men gebruikte voor deze film een trapsgewijze
camera, een eigen vinding, waarmee men in staat is om verschillende lagen
met beschilderd glas te fotograferen, zodat een realistische illusie van diepte
tussen voor- en achtergrond wordt verkregen. Met deze speciaal ontworpen camera
- die $ 71.000 kost - verkrijgt men een heel bijzonder drie-dimensionaal effect.
De cameralieden zijn dolenthousiast over de nieuwe techniek en experimenteren
naar hartelust. De beginscène waarin op expressieve een beeld wordt
gegeven van het slapende stadje waarna de camera tussen twee gebouwen naar
beneden duikt waar heel klein Jimmy Cricket staat, maken de cameramensen met
zoveel plezier dat ze $ 25.000 verschieten voor een half-minute shot!
In de lente van 1940 krijgt Walt Disney twee Academy Awards voor zijn film Pinocchio. Het geldt de onderdelen Best Original Musical Score en de song When you wish upon a star. De kranten en tijdschrift-kritieken oordelen unaniem Pinocchio beter dan Snow White and the Seven Dwarfs, op de muziek na. Dit tot grote verbazing van Disney. Er is slechts één muziekcriticus, José Rodriguez, die in Script Magazine schrijft dat gedeelten van de Pinocchio-muziek wel in een symfonische suite zouden kunnen passen. Als de Academy of Motion Picture Arts and Sciences zich later achter de mening van Rodriguez schaart, reageert Disney met: 'Maybe it's not so bad as I thought it was'.
Fantasia (1940)
Stokowski raakt zo in de ban van het project, dat het al snel iets veel ambitieuzers wordt. Zo rijpt het plan voor een avondvullende film in de vorm van een concert van orkestwerken, gedirigeerd door Stokowski en geïllustreerd door de tekenaars van de Disney-studio. Men besluit te kiezen voor de figuur van een verteller om de verschillende verhalen, waaruit de film nu zal komen te bestaan, aan elkaar te verbinden. Deems Taylor, een bekend muziek-commentator bij de radio-uitzendingen van de Metropolitan Opera, wordt voor die rol aangezocht en hij wil graag bij de keuze van de muziek meehelpen. Men beperkt zich tot zeven stukken. Er zal een proloog aan de muziekwerken vooraf gaan en die moet uitlopen in Stokowski's bewerking van Bach's Toccata en Fuga in D kleine terts. Daarna volgen delen van de Notenkraker-suite van Tsjaikowski, dan komt De Tovenaarsleerling van Paul Dukas, gevolgd door Strawinsky's Sacré du Printemps. Het vijfde deel is genomen uit de Zesde Symfonie: Pastorale van Ludwig van Beethoven, dan komt uit de opera La Gioconda: De Urendans. En het slotstuk is opgebouwd uit delen van twee werken: Nacht op een kale berg, van Modest Moussorgsky, en het Ave Maria, van Franz Schubert. De verwachtingen zijn hooggespannen en Disney doet zijn uiterste best eraan te voldoen. Hij bedoelt de film aanvankelijk voor een extra groot doek, maar dat plan wordt vanwege financiële redenen afgeblazen. Hij ontwerpt ook een geluidssysteem met zeven sporen en dertig luidsprekers, revolutionair in die tijd en vooruitlopend op het latere stereofonisch geluid. Stokowski mixt zelf de muziek en het resultaat is spectaculair. |
tekst: Richard Verheul, bron: Randspoor 2, Inleidende notities over de animatiefilm